
Zee- en luchtvaartverzekeringswet 1939
Artikel 1
1
Deze wet verstaat onder:
a
"Onze Ministers": Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Financiën;
b
"zeeschepen": zeeschepen in de zin van artikel 8.1.2, eerste lid, van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek alsmede zodanige schepen in aanbouw.
c
"Nederlandsche zeeschepen": die, welke de Nederlandsche nationaliteit bezitten ingevolge artikel 311 of 312 van het Wetboek van Koophandel;
d
Nederlands-Antilliaanse zeeschepen op grond van artikel 2 van het Nederlands-Antilliaans Zeebrievenbesluit;
e
Arubaanse schepen op grond van de artikelen 3 en 5 van het Curaçaosche Zeebrievenbesluit 1933;
f
"luchtvaartuig": wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Luchtvaartwet;
g
"Nederlandsch luchtvaartuig": ieder luchtvaartuig, dat door of vanwege het bevoegd gezag is ingeschreven in een binnen het Koninkrijk gehouden luchtvaartuigregister;
h
"Nederlandsch verzekeraar": ieder verzekeraar, wiens hoofdkantoor in het Koninkrijk is gevestigd.
2
Voor de toepassing van deze wet worden met zeeschepen gelijkgesteld de binnenschepen in de zin van artikel 8.1.3, eerste lid, van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek.
3
Voor de toepassing van deze wet worden met Nederlandse zeeschepen gelijk gesteld de in het tweede lid bedoelde binnenschepen, die voldoen aan ten minste één der in het eerste lid van artikel 8.8.2.5 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek genoemde voorwaarden.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.